De Kerk tussen evangelie en instituut
Mgr. Jan Dumon
een Vlaming in
het Vaticaan
maandag 24 oktober 2011
Samenvatting
De spanning tussen geloof en institutie behoort tot het wezenlijke van onze geloofstraditie. Het Oude Testament bevat daarvan vele aanwijzingen. Voor Jezus gaat het om de diepe verbondenheid van een mens met waar het God om te doen is met zijn schepping. Met zijn spreken wil hij duidelijk maken wat er gebeurt als God de relaties onder mensen regeert.
Jan Dumon pleit nadrukkelijk voor broederlijke Kerk. Natuurlijk, als je wil een wereldkerk zijn, dan heb je stevige instituties nodig. Maar we zijn wel slecht bezig wanneer we denken dat het versterken van het instituut onze toekomst zal vrijwaren.
Met Kerk bedoelt Jan Dumon: de mensen die samen geroepen zijn van Godswege om bij hun medemensen in de samenleving over de vijf continenten van onze planeet te getuigen wat het doet wanneer je met Jezus Christus door het leven gaat. Dus niet “het instituut”, of “het Vaticaan”.
Met evangelie is onze hele geloofstraditie bedoeld, inclusief de geschiedenis van Israël. In dat evangelie gaat het fundamenteel om God.
Doorheen de verscheidenheid van de boeken van het Eerste Testament is een eeuwenlang verhaal te beluisteren van mensen die hun samenleven vertellen met een rode draad: samenleven op aarde, dat doen als een avontuur met God. En wie die God is, wordt duidelijk uit wat hij doet. Die God staat voor gerechtigheid, voor het recht van de zwaksten, van de weduwen, de wezen en de vreemdeling. Hij staat voor vrede en samenleven. Met andere woorden je kan hem alleen maar vinden op een bepaalde levensweg. En het is geen leven zonder God.
Na eeuwen komt Israël er ook achter dat de God die zij hebben ontdekt, die zich verbindt aan het geluk van mensen, dat die God niet alleen een kostbare parel is voor de identiteit en de geschiedenis en het geluk van Israël, maar dat hij eigenlijk de moeite is voor alle volkeren, leven is voor allen.
Jezus verschijnt in de geschiedenis met de boodschap: de tijd is rijp en het koninkrijk van God is op handen. Het gaat ook hier weer allereerst om God, al spreekt Jezus zelden direct over Hem. Hij spreekt via het sterke beeld, de evocatie, om duidelijk te maken wat er gebeurt als God de relaties onder mensen regeert. Als in een samenleving de grondwet de grondwet van God is. Vooral voor diegenen die in het rijk van de mensen en van de machtigsten onder hen, niet veel levenskansen hebben.
Nog altijd volgens Jan Dumon isJezus door zijn samenballen van heel de geloofsgeschiedenis van Israël die aan hem voorafgaat en door deze wijze om God te verstaan, in conflict gekomen met de institutionele religie van zijn dagen. De grond van het conflict is een conflict over wat echte godsdienst is, en uiteindelijk wie God is. Jezus is in conflict gekomen met zijn eigen godsdienst zoals hij institutioneel verankerd was. Eerst en vooral in de klerikale hiërarchie rond de tempel, maar ook zijn meest geëngageerde en gevormde leken zoals de farizeeën en de schriftgeleerden. Hij is in conflict gekomen, niet omdat hij een ander geloof heeft, maar omdat hij tegen wat in zijn dagen de geloofstraditie van Israël is geworden, afkomt met die smalle draad van de profeten, en precies de vraag stelt die hier gesteld wordt: waarover gaat het eigenlijk? Gaat het om de mens of om de sabbat? Gaat het om God, of gaat het om rituele praktijken?
De bronnen van onze traditie eindigen in dit conflict, en in de verkondiging dat in dit conflict de verworpen steen de bouwsteen is, dat diegene die door mensen als niet ter zake doend buiten de stad veroordeeld is en gekruisigd, dat het juist die is die we allen onze Heer mogen noemen. Dat al wat je over God mag zeggen, dat je dat over deze Jezus mag zeggen. Want geen mens heeft zo God belichaamd. En juist daarom heeft geen mens zo belichaamd wat het is een mens te zijn met God. Het kan dus moeilijk meer anti-institutioneel. Jezus is aan zijn eigen religieuze instituut gestorven. Instituut niet in de zin van alleen maar organisatie-instituut, maar vooral ideologisch instituut.
De spanning tussen geloof en institutie behoort eigenlijk wezenlijk tot onze geloofstraditie. Dat was al zo in Israël. In het boek Samuel wordt het volk, dat een koning wil, gewaarschuwd dat die koning beslag zal leggen op wat van hen was. “Zo wordt u zijn slaven. Als het zover is, zult u bij de heer uw beklag doen over de koning die u zelf gewild hebt, maar dan zal de heer niet antwoorden.”
Ook de tempel werd een hinderpaal. Koning David kreeg van Natan al de waarschuwing: “Ik heb nooit in een huis gewoond sinds de tijd dat Ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot op de dag van vandaag; steeds ben Ik mee getrokken in een tent, waarin Ik verbleef. Zolang Ik met de Israëlieten mee trok heb Ik nooit aan iemand gevraagd: Waarom bouwt u niet een huis van cederhout voor Mij?”
Het Eerste Testament trekt de aandacht op een geloof dat op de kern van de zaak geconcentreerd is. De godsopvatting van Israël is die van een transcendente God die op geen enkele manier objectiveerbaar is, en dus zeker niet institutioneel te vatten.
Bij Jezus vind je net hetzelfde terug. Jezus’ oriëntatie is duidelijk. Het gaat om de diepe verbondenheid van een mens met waar het God om te doen is met zijn schepping. Het gaat om dat rijk van God. Het gaat niet om het in stand houden van godsdienst. Jezus is geen religiestichter. Hij is een religie-martelaar. Zijn eigen religie heeft hem vermoord. Voor Jezus is niet de categorie van rein en onrein belangrijk. Wat je in het diepste in je leven aan liefde betoont, dat is belangrijk.
Daarmee is nadrukkelijk niet gezegd dat Jezus op geen enkele manier institutionaliseert. Net zoals het God in Israël om een volk te doen is, dat namens vele volkeren het experiment moet doen van wat het betekent met God te leven, zo verzamelt Jezus zich een nieuwe familie. En als je zegt: een familie verzamelen, zeg je eigenlijk: een institutie.
Wat met onze Kerk gebeurde, is volgens Jan Dumon vele instituties overkomen. Na verloop van tijd hebben diegenen die de zaak verder moesten dragen geprobeerd het allemaal te institutioneel te verankeren. Bijna alsof de structuur de zaak moet blijven dragen, zelfs als er geen gelovigen meer zouden zijn.
In de vierde eeuw heeft zich bovendien een historisch accident voorgedaan, waardoor onze Kerk ook van buitenaf werd geïnstitutionaliseerd. Keizer Constantijn maakte van het christendom staatsgodsdienst, en bediende er zich van om zijn politiek te ondersteunen.
Het gevolg is geweest dat tot op vandaag onze Kerk een model heeft ontwikkeld waar institutionele verankering, gebruik van macht, gebruik van prestige, gebruik van grote middelen, een vanzelfsprekende zaak zijn geworden.
Jan Dumon pleit voor een ander kerkmodel, dat van de broederlijke Kerk. Als je wil een wereldkerk zijn, dan heb je stevige instituties nodig. Maar we zijn wel slecht bezig wanneer we denken dat het versterken van het instituut onze toekomst zal vrijwaren. In een periode van crisis heb je herbronning nodig. Het is vanuit de inhoud dat de creativiteit ontstaat om nieuwe instituties te maken.
We zullen vooral moeten weten dat we geen nostalgie moeten hebben naar de tijd dat de keizer ons steunde. Het is een oud verhaal. Denken dat het de keizer is, of de koning, die je moet redden, is eigenlijk niet geloven dat het God is, en God alleen, die zijn Kerk redt.
Vraagstelling
In het tweede deel van de conferentie beantwoordt
de spreker altijd vragen van het publiek.
Een vraag over de curie was aanleiding voor een
bemoedigend woord over de gewichten van Curie en Evangelie...
In het tweede deel van de conferentie wijst een vraagsteller erop dat de Curie een instelling is die voor veel mensen negatief overkomt, die bezig is met wetboek, catechismus, wetgeving. Jan Dumon zelf zou het in een interview gehad hebben over het liefdeloos handelen van zijn werkgever.
Zou ik zo liefdeloos over mijn werkgever gesproken hebben.?
Ik heb met opzet dit soort punten niet aangeraakt. Omdat ik denk dat in heel deze problematiek het meest belangrijke is dat we met zijn allen zo vertrouwd geraken met onze eigen geloofstraditie dat we ook de rustige vrijheid en durf hebben om het onze te denken van een aantal praktijken die inderdaad in onze Kerk bestaan, ook op het hoogste niveau, ook op het niveau van het centrale bestuur.
Er is toch niets of niemand in onze traditie die zegt dat al wat op het centrale bestuurlijke niveau gebeurt, dat dit allemaal definitief onfeilbaar is. Er zijn tot nu toe twee onfeilbare uitspraken gedaan – en we zullen met die uitspraken niet te veel moeite in ons leven hebben, denk ik. De rest geniet van het prestige van plechtige oriëntaties, maar daar staat toch nog altijd én de vrijheid van het geweten én het recht van de profetische kritiek tegenover. Die profetische kritiek hoeft niet noodzakelijk, zoals die van vele oudtestamentische profeten, vlijmscherp te zijn, of plechtig, of zelfs publiek. Het kan gewoon zijn: rustig je weg gaan volgens wat je denkt te moeten doen.
Ik denk dat wij heel dikwijls het institutionele gewicht van het Vaticaan versterken door gewoon onze weg niet te gaan – onze weg als plaatselijke kerk, waar een bisschop volgens alle klassiek traditie niet de succursalehouder van de Sociéte Génerale de l’Église Catholique is, maar de herder van zijn plaatselijke gemeenschap, lid van het college dat de traditie van de apostelen verder zet.
Ik denk dus dat wij het zijn die per sé van het Vaticaan onze vertegenwoordiger willen maken. Het is een beetje zoals met de vele dienstbare scouts die ik hier gezien heb. Ik kan met voorstellen dat die jongens en meisjes eigenlijk best tevreden zijn over de scouts wanneer het in hun plaatselijke groep goed gaat, en dat ze zich niet te veel bezig houden met wat er op het verbondscommissariaat gebeurt. Dat is een beetje een gekke vergelijking, maar toch. De plaatselijke gemeenschap...volgens het allereerste kerkelijk recht komen wij samen als Kerk op een geldige manier, dat wil zeggen is Jezus in ons midden, waar er twee of meer verzameld zijn. Twee of meer. Ik ken niet veel verenigingen waar je al geldig samen komt met zo weinig leden. Dat is dus werkelijk een minimum van institutie. Waarom maken we dan altijd weer van die Curie onze officiële woordvoerder? Dit is alsof we gefascineerd zijn, en alsof we niets anders te doen hebben.
Ik ben dus uitdrukkelijk vanavond een andere kant opgegaan, namelijk de inhoud: waar gaat het over, en hoe zit dat aan de bronnen van ons geloof. En ik wou het daarbij houden.
Ik ben dus overtuigd dat de aanpak, de bureaucratisch-centralistische, en vooral monarchische aanpak die in het Vaticaan nog steeds geldt, en die nog steeds de Romeinse keizercultus weerspiegelt, nog steeds de hele renaissancementaliteit die nu niet bepaald het toppunt was van spirituele hoogtepunten in de hiërarchische Kerk, ik denk dat de Curie daarvan nog zeer belangrijke sporen draagt, ze soms zelfs probeert te versterken. En ik denk dat dat verkeerd is, dat dat niets te maken heeft met onze traditie. Maar ik ben ook de Curie – dat is niet hoogmoedig van dat te zeggen. Ik constateer dat ik daar vrij kan werken, en zelfs langer moet werken dan ik zou willen. Waarschijnlijk is mijn werkgever dus tevreden.
Dus laat ons niet meer gewicht geven daaraan dan het moet. En je kan dat dan toepassen op verschillende punten. Het is onmiskenbaar dat op een bepaald ogenblik onze Kerk sterker heeft gewerkt rond het verduidelijken van wat en wie de zondaar is, dan om te verduidelijken dat zij een gemeenschap is die de fragiliteit en het mislukken van de mens als een gegeven aanvaardt, en die de vertegenwoordiger is van een God die eigenlijk gespecialiseerd is in het lijmen van de brokken. Dat is een andere rode draad in onze traditie: God doet altijd voort. Dat is Israëls getuigenis: we hebben er niks van gebakken en Hij doet altijd weer voort.
Er zijn van die eenvoudige dingen, vrienden, die we zo goed in ons hoofd zouden moeten prenten, dat we eigenlijk geen conferentie meer nodig hebben om bemoedigd te zijn, met een spreker die ons nu eens zegt dat het toch belangrijker is van echtgescheidenen een nieuwe kans te geven dan van hen te veroordelen. Maar dat weten we toch sinds het evangelie, daar hebben we geen conferentie voor nodig. Ik ben soms een beetje ontmoedigd, bijvoorbeeld naar aanleiding van die interviews in Tertio of in De Standaard: dat zijn eigenlijk gewone dingen, die we van het evangelie horen. Jezus is gekomen om te redden wat verloren is. Als als Jezus antwoordt op de vraag van de institutie: "Wat doet gij daar bij die tollenaars en bij die zondaars?"dan is zijn antwoord dát. Daar hebben we geen conferentie voor nodig.
Het Evangelie is genoeg.